Ik val maar meteen met de deur in huis; ik heb een gespleten persoonlijkheid. Een cowgirl op hakken. Een glamoureus stadsmeisje met blubberlaarzen. Ik ben het allebei. Al mijn hele leven voel ik me enorm aangetrokken tot een leven met een kudde dieren om me heen. Wonen in het groen, of als het even kan; een boerderij. Tegelijkertijd ben ik ook al mijn hele leven verzot op de stad. Wonen ín het centrum, niet een beetje daarbuiten. Drukte, reuring, geluid; ik ga er heel goed op. En hier gaat het dus mis. Want deze twee dromen vallen in onze stad niet te combineren. En nu ben ik heus wel bereid om consessies te doen en dat hartje centrum te verruilen voor 15 minuten fietsen van de Dom. Maar de plekken waar ik die dromen kan vervullen zijn gereserveerd voor de lucky few.
De afgelopen jaren ben ik meer met dit dilemma bezig in mijn hoofd. Mijn bedrijf begint vorm te krijgen, ik ben getrouwd en gesetteld. Ik hoef niet meer zo nodig drie keer in de week een borrel te drinken in de stad en bij elke première, opening, netwerkborrel aanwezig te zijn en thuis wordt steeds belangrijker. De behoefte aan dieren om me heen wordt groter. Toch lijkt me niets ellendigers dan ergens wonen waar je de auto moet pakken om een boodschap te doen. Waar je niet op dinsdagavond naar een willekeurig restaurant kunt lopen omdat je geen zin hebt om te koken. Waar je niet spontaan met vrienden een wijntje kunt doen in de stad en waar je niet wekelijks een nieuwe horecazaak kunt ontdekken. Net als veel van mijn leeftijdsgenoten ben ik ook veel vrienden verloren
aan het dorpse leven. Kinderen, ruimte, geen miljoen op de bankrekening. Dan eindig je dus op plekken als Woerden, Leusden, Zeist of zelfs Purmerend. Ik snap het maar het lijkt me verschrikkelijk. Sorry, not sorry.
Er is dus maar één oplossing; zorgen dat ik of de loterij win, of zo slim weet te ondernemen dat we een huis kunnen kopen aan de Biltse Rading of de Utrechtseweg, in Groenekan of aan de rand van het Science Park. Dat huis hoeft niet groot te zijn hoor, als er maar twee paarden in de tuin kunnen. Paarden zijn kuddedieren, dus één is zielig. En als ik er één wil meenemen voor een ritje is de ander alleen, en dat is ook zielig. Dus moet er ook nog plek zijn voor een ezel of een shetlandpony. En bij een huis met paarden hoort natuurlijk een roedel honden, dus daar moet ook plek voor zijn. Het lijkt me heerlijk, zolang ik de Dom maar op een ouderwetse stadsfiets zonder versnellingen kan bereiken.
Dat ik deze droom kan verwezenlijken is natuurlijk niet heel waarschijnlijk. Maar gelukkig stap ik na een half uur fietsen op mijn paard Bo in het Panbos en kan onze hond Tommie gewoon in mijn fietskrat mee naar dat spontane wijntje in het centrum. En soms komen er momenten voorbij dat ik écht even mijn innerlijke rancher kan vrijlaten. Zoals tijdens ‘Expeditie Groenekan’, wat onze vrienden Anne en Sander ieder jaar organiseren rondom hun fantastische huis. Afgelopen jaar was het thema ‘Western’ en dus konden Bo en ik richting de Lindenlaan voor een dagje cowboyen.
Afgelopen weekend echter stond ik weer tot aan mijn kuiten in de blubber mest te scheppen in het weiland terwijl de Hollandse regen langs mijn nek mijn jas insijpelde. Met kramp in mijn armen van het omkiepen van de zoveelste loeizware kruiwagen en afgelebberde handschoenen die na drie keer wassen nog naar paardenslobber ruiken. Intens gelukkig voelde ik me toen ik na een warme douche mijn befaamde torenhoge hakken weer aantrok en met twee vriendinnen naar de Lange Nieuwstraat fietste waar we ons culinair in de watten lieten leggen door het team van Jus & Pepper. Het blijft duidelijk, ik wil het allebei. Blijkbaar ben ik een Utrechtse cowgirl in een jurk. En eigenlijk vind ik dat wel prima. En zolang dat droomplekje er nog niet is pak ik gewoon af en toe de auto naar het Panbos.
Sanne Dijkgraaf, uitgever & hoofdredacteur
Fotografie: Sophie Bijsterbosch





